XI Westerkwartier

96. Rikkerdaborg

97. Huis te Faan

98. Nienoord

 

Het Groningse Westerkwartier, een landschappelijke regio gelegen tussen de Friesland en Groningen, is van oudsher een moeilijk begaanbare streek. Slechts op de hoger gelegen zandruggen in het moerassige gebied, de ‘gasten’ en ‘wolden’, was bewoning mogelijk. Op deze plekken ontwikkelden zich in de zestiende en zeventiende eeuw dan ook borgen: grote herenhuizen waar de adel en gegoede burgers zich vestigden. De borgen waren voornamelijk per waterweg bereikbaar. Zo waren de borgen Rikkerda te Lutjegast en Bijma te Faan met de trekvaart naar Stroobos verbonden. De borg Nienoord lag aan het Leeksterhoofddiep, dat via het Leekstermeer en het Lettelberterdiep in verbinding stond met de trekvaart naar Stroobos. Dit was tot de aanleg van het Van Starkenborgkanaal de belangrijkste vaarweg van Groningen naar Friesland.
De families van bovengenoemde buitenplaatsen hadden nauwe verbanden met elkaar en met
andere welgestelde burgers in de provincies Groningen en Friesland. De van Nienoord afkomstige familie Von Inn- und Kniphausen werd na 1804 ook eigenaar van Bijma te Faan. Op de Rikkerdaborg woonden rond 1820 Hemmo Hijlcko Nauta en Anna Habbina Alberda van Menkema eigenaars. De ouders van Nauta hadden Rikkerdaborg in bezit en woonden rond 1832 op de buitenplaats Zantvoort. Roodbaard was omstreeks 1807 daar hovenier.
Tegenwoordig zijn er nog enkele borgen en restanten in het Westerkwartier over, waarvan Nienoord de bekendste is. Op negentiende-eeuwse kaarten zijn onder meer Nienoord en Bijma met een landschappelijke tuinaanleg afgebeeld.

« vorige pagina